Rhipsalis floccosa pulvinigera

Rhipsalis floccosa ssp pulvinigera
(Lindb)Barth&Taylor


◊ Bradleya 13:55" (1995)
◊◊ Rhipsalis pulvinigera Lindb - Gartenflora 38:184 (1889)
Rhipsalis funalis minor Pfeiff - Enum. Cact. 135 (1837)
Rhipsalis gibberula Web - Rev. Hort. 64:426 (1892)
Rhipsalis shaferi Cast non Br&R - An. Mus. Hist. Nat. Buenos Aires 32:495 (1925)
Lepismium pulvinigerum (Lindb)Backbg - Kaktus-ABC 155 (1935)
Lepismium gibberulum (Web)Backbg - Kaktus-ABC 155 (1935)
Rhipsalis floccosa gibberula (Web)Krainz - Kat. ZSS ed. 2, 109 (1967)
Rhipsalis flosculosa Ritt - Ritter 1:42, 282", 283" (1979)

- Struikachtig vertakt, eerst rechtop, later hangend. Leden in viertallige kransen, cilindrisch, tot 60 cm lang, 3-4 mm doorsnede, matgroen, soms met roodachtige tint. Areolen in regelmatige spiralen, iets verzonken in kleine verhoging met rode ring, kaal, bij bloei met korte wol en 1-2 doorntjes. Schubjes blijvend, 1 mm breed, roodbruin, getand. Bloem lateraal, ±1,8 cm doorsnede, groenachtig wit. Meeldraden kort, wit. Vrucht doorschijnend, lichtpaars, soms wit, 6-7 mm doorsnede.

- Brazilië: São Paulo, Minas Gerais, Rio de Janeiro, Espírito Santo, Paraná, Santa Catarina, Rio Grande do Sul; Noordoost-Paraguay. In droge bossen tot 1800 m. Bloeitijd oktober tot december.

Cact. 4:234, plate 28
Cact. 4:235', plate 29 (Rhipsalis gibberula)
Backeberg 2:692
Backeberg 2:684, 690 (Rhipsalis gibberula)
KuaS 50(4):76"; 50(10):246
NCL 255"
CEB 213, 231''
EPIG 79:11"